|
INLEIDING IANTAI |
|
Het keizerrijk
Iantai heeft een oppervlakte van ongeveer 4,5 miljoen km2 en
heeft ruim 45 miljoen inwoners. Het land is geografisch en
historisch ruwweg te onderscheiden in vier gebieden.
Het traditionele
machtscentrum ligt in het koude en dunbevolkte zuiden van
het rijk. Het bestaat uit een plateau met diep uitgesneden
kloven. De hoogvlaktes in dit gebied zijn kaal en boomloos
en de diepe, grillige ravijnen zijn over het algemeen
begroeid met naaldwouden en zijn van oudsher gekoloniseerd
door de oorspronkelijke Iantai, de zgn. Siriantai, een woest
ruitervolk dat genetisch banden heeft met de Yufong, de
Mararezen en de nomadenvolken uit de westelijke binnenlanden
van het zuidelijk Thalassa.
In de
deelstaat Maracai verheft zich de hoogste berg van heel
Thalassa, de Mons Titanius, de heilige berg van Iantai, meer
dan 12000 meter hoog. Dit is een vrij geïsoleerde berg,
waardoor het in principe mogelijk is er omheen te trekken.
Dit is wel een barre tocht van ruim 500 km door een weinig
gastvrij en tamelijk kaal gebied. Water is er genoeg, maar
men moet wel onderweg zichzelf door jacht of visvangst van
eten voorzien, of dit meesjouwen. Traditioneel dienen jonge
mannen uit de binnenlanden deze tocht te volbrengen om hun
mannelijkheid te bewijzen, maar velen overleven hem niet.
Ten noorden
van dit ruige gebied liggen de vruchtbare valleien van
Dalia, en van Argentia en Atria, de zogenaamde Atriaanse
Landen. Deze streken vormen het relatief dichtbevolkte hart
van continentaal Iantai. Midden in deze centrale valleien
snijdt de grote rivier de Ia Fai, die gevoed wordt door een
groot deel van de Iantese rivieren, dit gebied in tweeën. Op
de plek waar de Ia Fai stroomopwaarts de voet raakt van de
immense plateaus van het historische Iantese hartland, ligt
op een strategisch gelegen hoogte de rijkshoofdstad Sarthe.
De stad werd gesticht door de Siriantai, als bolwerk om de
Dalische en Atriaanse landen te overheersen en controle uit
te oefenen op de belangrijkste handelswegen over en langs de
grote Iantese rivieren, die rond de stad samenclusteren.
Volgt men de Ia Fai stroomafwaarts, dan komt men op het punt
waar de grillige baaien van de Thalassaanse binnenzee het
diepst en het verst zuidelijk in het Ladoonse subcontinent
penetreren. Aan de monding van de Ia Fai en de iets
noordelijker gelegen mondingen van de grote Dalische
rivieren in de Mare Auratum, de zgn. ‘Gouden Zee’, liggen
grote steden, zoals de grote handelsmetropool Impirion, in
het dichtbevolkte gebied dat het hartland vormde van de
Ladoonse cultuur en het huidige Iantai. In tegenstelling tot
de Centraal-Iantese hooglanden, waar alleen in de dalen wat
terrassenlandbouw mogelijk is, en extensieve veelteelt op de
hoogten, kenmerken de Dalische en Atriaanse landen zich door
uitgebreide landbouwgebieden, waar een keur aan gewassen
wordt verbouwd, met name allerlei granen.
De
noordelijke gebieden van Iantai, rondom de Arkadische
binnenzeeën, vormen tezamen met de vrije Arkadische staten,
ondanks de soms felle politieke tegenstellingen, een
geologische, klimatologische en culturele eenheid. Over het
algemeen zijn de landschappen en kusten grillig, ruig en
rotsachtig. De landbouw richt zich vooral op subtropische
producten, zoals olijven en zuidvruchten, en er wordt vee
gehouden. Centraal in het Vesperische bekken aan de oostkant
van het gebied ligt Milanopolis, de grootste Arkadische
metropool, die sinds kort een autonome status heeft, als een
vreemde eend in de bijt. De stad fungeert als een soort
bedevaartoord, met name voor Milantezen, en tegelijk als
Arkadisch handelscentrum en als dè glamourstad voor de
Iantezen, en dus ook als centrum voor alles wat het daglicht
niet goed kan verdragen.
Net als
Impirion groeit Milanopolis snel uit tot een enorme moderne
Thalassaanse metropool. Een heel apart gebied, dat Iantai op
een bizarre manier deelt met het Imperium, Milantica Sutoria
en zelfs Marar, is het metaalrijke Ferria. Dit gebied, dat
te koud is voor landbouw, leeft vooral van de mijnbouw, en
in toenemende mate metaalindustrie. |
|
DE ARKADISCHE ARCHIPEL |
|
De Arkadische
archipel bestaat uit een binnenring en een buitenring van
eilanden. De binnenring bestaat uit het magische
eilandenrijk van Cartán en het ondoordringbare rijk van
Norestre, die worden geflankeerd door de Saturische en
Vesperische eilanden. Hieronder zijn de grootste eilanden
van de archipel, die uitzonderlijk ruig en ontoegankelijk
zijn. Zowel Cartán als Norestre hebben hun onafhankelijkheid
aan hun grillige geografie te danken.
De buitenste
ring grenst aan de Thalassa en wekt de indruk door een
reusachtige zaaier als het ware in zee te zijn gestrooid.
Vele kleine en grotere eilandjes wisselen elkaar af in een
wonderlijke speling van water en land. De eilandenboog
strekt zich uit van het zuidoosten, de Pelvische archipel in
het IL, via het Laudaanse schiereiland Nemoria naar het
noordwesten, waar het via de Agrillische archipel (die
politiek verdeeld is tussen Iantai, Norestre en Hebe)
overgaat in de Arxinische archipel voor de kust van Marar.
Deze Arxinische archipel is een lappendeken van meest wat
kleinere eilanden, die zich van de Zee van Cartán uitstrekt
tot het schiereiland van Travestre. Ook staatkundig is het
een lappendeken, gekenmerkt door een aantal onafhankelijke
eilandstaatjes, een paar eilandjes die bij de Azulische
kolonie Vespasia horen en gebiedsdelen van Iantai en Marar.
Klimatologisch vormt vooral het noordelijk deel van de
Arxinische archipel enigszins een buitenbeentje. Zo staat
het Iantese gebiedsdeel Travestre en Lidia, dat in feite nog
een voortzetting vormt van de Arxinische archipel en een
laatste bolwerk van het Ladoonse cultuurgebied en het
staatje Angur bekend om hun tropische producten en hun milde
klimaat. |
|
GESCHIEDENIS |
|
Tot ruim
tweehonderd jaar geleden was Iantai een onverbrekelijk
onderdeel van het Imperium Laudanum. De geschiedenis van dit
Imperium is al eerder aan de orde geweest (in
T.H.A.L.A.S.S.A. 1, p. 26). Iantai is, evenals Milantica,
als zelfstandige staat ontstaan in de Grote Ladoonse Oorlog,
waarin het Imperium Laudanum definitief uiteen is gevallen.
Het begint
rond 400 aBc. Rond die tijd verenigt het Siriantaiaanse
stamhoofd Tiborkin alle stammen in het Centrale Hoogland van
Iantai onder zijn gezag. In 424 vallen de Siriantaianen
onder Tiborkin de kustprovincies van Iantai en delen van
Milantica binnen. De Imperiale hoofdstad Atrocita wordt
geplunderd en met de grond gelijk gemaakt. Tiborkin vestigt
zich als de Keizer van Iantai in de oude Dardaanse vesting
Impirion. Omdat hij een doorgewinterde landrot is, laat hij
in eerste instantie de eilanden met rust, evenals de
kustgebieden van Laudania en Milantica. Imperator Mundi
Mesopus V ‘Mustela’ (de Wezel) van het Imperium Laudanum
koopt Tiborkin af, behoudt de gebieden rond de Sinus
Rivarenae en trekt zich terug in de antieke hoofdstad
Claustrum, op dat moment weinig meer dan een ruïneveld. De
rest van de Laudoonse landen wordt geplunderd en
gebrandschat.
Inmiddels
hebben de Iantaianen toch een grote vloot opgebouwd en in
427 komt het tot een bloedige confrontatie met de Imperiale
vloot, die echter min of meer onbeslist eindigt. Beide
admiraals oordelen het onverstandig het tot verdere
botsingen te laten komen. De Laudaanse vloot moet zich op de
verdediging van het hartland van het Imperium concentreren
en de Iantaise
vloot gaat op avontuur uit. In de periode van 427 tot 448
verovert zij een deel van de overgebleven Laudaanse koloniën
elders in Thalassa. Van het machtsvacuüm dat zo in de
Argentische archipel ontstaat, maken Cartán, Norestre en
andere eilandvolken gebruik door de Laudaanse bezetters in
het nauw te drijven.
Intussen komt
in Hertha een nieuwe volksheld op: Milan. In 448 verdrijft
deze de Iantaianen uit het binnenland van Milantica en rukt
door Laudania op naar het westen. Imperator Ianus VII
‘Perditor’ (de Loser) verzet zich, maar ziet het Imperium
gereduceerd tot de directe omgeving van de antieke hoofdstad
Claustrum.
In 450 komt
het tot de grote confrontatie tussen Tiborkin en Milan, de
Slag bij Campus Merulae, die onbeslist eindigt. Tiborkin
sneuvelt. Zijn zoon Haraldin volgt hem op. Hij verplaatst
zijn residentie naar Sarthe. Milan bezet het grootste deel
van Laudania en het noordoosten van Iantai tot de Ia Fai. Ze
komen voorlopig een wapenstilstand overeen.
In 478 trouwt
Keizer Haraldin met Miliana, de oudste dochter van voormalig
aartsvijand Milan. Het jaar daarop sterft Milan plotseling.
Omdat hij alleen maar zeven dochters heeft, ontbrandt er een
opvolgingsstrijd tussen zijn schoonzonen (de
‘Zwageroorlog’). De belangrijkste tegenstanders zijn
Haraldin, de Milantische prins Menandes uit de oude
vorstelijke familie Juliano, Marco, die de steun van het
Herthaanse volk heeft, en de door de oude Laudaanse elite en
een groot deel van het Imperiale leger gesteunde Laudaanse
patriciër Hebes (bijgenaamd ‘Hebes Miserus’, de Treurige).
Hebes heeft zich in Milanopolis gevestigd en wordt in 484
tot Imperator Mundi gekozen.
In eerste
instantie gaat de strijd tussen enerzijds Marco en Hebes,
gesteund door het volk, en anderzijds de andere zwagers
onder leiding van Menandes, die de oude Milantese adel
vertegenwoordigen. In 486 valt Haraldin Laudania en
Milantica binnen en vlucht Hebes naar Claustrum, waar hij
kort daarna wordt vermoord. Haraldin bezet het grootste deel
van Laudania. Hij belegert Claustrum, waar inmiddels weer
een nieuwe Imperator is benoemd met de steun van het leger,
Quintus XIII ‘Fervidus’ (de Heethoofd). Menandes verschanst
zich in het binnenland van Milantica, waar hij een eigen
leger opbouwt.
In 489 trekt
Haraldin Antoniola binnen, maar hij wordt in de Slag bij
Silvandes vernietigend verslagen door Menandes. Hij vlucht
naar Milanopolis, achtervolgd door Menandes’ leger. Zijn
troepen voor Claustrum breken het beleg op en voegen zich
bij hem. Bij Nidus Ulmi in Ferrania lokt hij Menandes in een
hinderlaag, waarop Menandes weer moet vluchten. Beider
legers zijn behoorlijk gedecimeerd en de Laudaanse Imperator
Quintus maakt hier gebruik van door de hele kustvlakte van
Atrocita tot Julania en de benedenloop van de Cloaca te
bezetten. De legers voeren nog een tijd bittere gevechten om
het plateau van Ferrania, waar kort tevoren rijke
ijzerertslagen waren ontdekt.
In 491
sluiten Iantai, Milantica en het Imperium Laudanum het
Verdrag van Claustrum. Het Imperium Laudanum behoudt
ongeveer het door Quintus bezette gebied. Ferrania wordt op
een uiterst ingewikkelde wijze tussen de drie landen
opgedeeld. Cartán en het eilandenrijk Norestre worden
definitief onafhankelijk. |
|
STAATKUNDIGE SYSTEMEN |
|
De politieke
systemen van zowel Iantai, Cartán als Norestre zijn
‘meritocratische’ dictaturen. Filosofen twisten over de
oorsprong van de politieke systemen van de drie naties, maar
zijn het erover eens dat de geografische grilligheid van hun
grondgebied en hun onderlinge culturele verwevenheid aan de
basis staan van dit ‘Arkadische model’. Aan het hoofd van de
regeringen staat een monarch, met daaronder een regering. De
monarch heeft formeel de absolute macht, maar dit slechts
tot op zekere hoogte. In alle drie de staten ligt
uiteindelijk de controlerende macht bij
kloostergemeenschappen, de ‘Cayanen’ (in Iantai ‘Suri’
genoemd), die veto’s kunnen uitvaardigen en onderzoeken
kunnen eisen naar belangrijke maatschappelijke vraagstukken.
Zij hebben de macht om de staatshoofden terug te fluiten en
zelfs af te zetten, om oorlogen te doen stoppen en om vitale
vraagstukken dwingend op de agenda te zetten. Hoewel de
exacte vereisten van de ‘staatskloosterlingen’ per land
enigszins verschillen, hebben zij in alle drie de staten
gemeen dat zij geen eigendom mogen bezitten, niets mogen
nalaten en dat zij op merites zijn uitgekozen. Het is
duidelijk dat niet iedereen willig is om deze cruciale
functie in een Arkadische samenleving te vervullen, al is
het wel een grote eer om door een Caye, c.q. Sur,
uitgenodigd te worden om toe te treden tot het hoogste
bestuursorgaan van de staat. Je verbindt je tot armoede en
een sober leven, en het is levenslang. Uittreden is niet
mogelijk.
Over het
algemeen beschouwt men de Cartaanse meritocratie als
de puurste. Het Cayaat wordt ook wel de ‘Broederschap van de
Vier Windstreken’ genoemd en blijkt zo goed als ongevoelig
voor de verleidingen van corruptie en machtsmisbruik. Er is
wel een Volksvergadering, die door de bevolking wordt
gekozen, maar deze kan overruled worden door de vorst, en de
vorst weer door het Cayaat. Het Cartaanse staatsbestel is
wel een stuk ingewikkelder dan hier lijkt, mede door de
invloeden van de verschillende zo goed als autonome cantons
en door een veelheid aan kloosterordes en militaire kastes
(‘Abruns’) die allemaal hun invloed op het bestel
uitoefenen.
In
Norestre heerst formeel nagenoeg hetzelfde systeem, met
dien verstande dat niet een erfelijke vorst regeert, maar
een gekozen staatshoofd, de ‘Capo’, traditioneel een
marineman. In geval van nood, bij voorbeeld in de oorlogen
tegen Iantai, heeft het politieke systeem bewezen goed te
kunnen functioneren, maar in vredestijd heerst corruptie en
nepotisme, en is er nauwelijks nog sprake van een
meritocratie in de eigenlijke betekenis van dit woord.
Traditioneel is vooral de vloot uitermate goed
georganiseerd. De Capo is duidelijk de opperbevelhebber en
in oorlogstijd is er geen tegenspraak. Norestre is, in
tegenstelling tot Cartán, een clanmaatschappij, waarin de
loyaliteit aan de eigen clan voorop staat. Een bizar
fenomeen in Norestre , en een belangrijk ingrediënt voor hun
bijzondere nautische positie in Thalassa, is dat iedere clan
mariniers levert aan de vloot, die een zware opleiding
krijgen op een van de vier marinecomplexen en hun loyaliteit
aan hun clan inwisselen voor de eed van trouw aan de Marine.
Dit is een zeer oude traditie die diep verweven is met de
identiteit van de Norestriërs. Buiten deze Marine, die de
ruggengraat vormt van de Norestrische staat, opereren nog
tal van andere nautische elementen (vissers, handelaren,
vrijbuiters, piraten) in dit verder onherbergzame en
relatief weinig vruchtbare eilandenrijk.
De Cayes
werken in oorlogstijd nauw samen met de Capo en voorzien hem
van waardevolle adviezen. Ook in deze Cayes is vooral
maritieme kennis opgetast. Het belangrijkste Cayaat van
Norestre ligt, heel symbolisch, midden in de immense
marinehaven van de hoofdstad Norestre. In vredestijd hebben
die Cayaten weinig om handen. De gang van zaken in het
binnenland wordt vooral door de clans bepaald.
Norestre
schijnt, ten onrechte, naam en faam te hebben als
schurkenstaat. Het is in elk geval een ruige samenleving,
die voor zijn onafhankelijkheid en levensonderhoud
grotendeels op de zee is aangewezen, en zich daarom altijd
op zijn eigen rauwe manier op zee heeft moeten manifesteren.
De
Iantaise meritocratie onderscheidt zich door een
duidelijk etnisch accent. Verspreid door heel Iantai liggen
de kloosters, de ‘Suri’. Deze kloosters zijn echter niet
evenredig over het land verdeeld. In het zuiden, het etnisch
zuivere Siriantai-gebied, liggen veel meer Suri dan in de
rest van het land. Het traditionele hoofdklooster ligt in
het onherbergzame Sur Bayai in de deelstaat Bayore. Per Sur
wordt een vertegenwoordiger gekozen om zitting te nemen in
het ‘Centraal Suriaat’ in dit klooster in Sur Bayai. Het
Centraal Suriaat benoemt het prestigieuze Suriaat van
Sarthe, dat dicht bij de regering zit en de Keizer
adviseert. De Keizers vormen een Siriantese dynastie, maar
elke opvolging moet worden goedgekeurd door het Suriaat van
Bayore en de oude Siriantese clans. Dit betekent dat het
overheidsapparaat vooral Siriantees gekleurd is. Ditzelfde
geldt voor de top van het leger. De bevelhebbers worden door
de Keizer benoemd.
De Daliërs
hebben een aparte plaats in de machtsconstellatie van het
Keizerrijk. Zij zijn een mengvolk dat Siriantese en Ladoonse
invloeden in zich verenigt. De Daliërs vormen een van de
grootste bevolkingsgroepen van Iantai en zij zorgen voor het
leeuwendeel van de inkomsten van het rijk. De toplaag van de
Daliërs heeft traditioneel posities in het middenkader van
de Iantese regering en in het leger. De gewone Daliërs zijn
vooral boeren en dienen in het leger veelal als
kanonnenvoer. |
|
ARKADISCHE STAATJES |
|
Naast Cartán en
Norestre liggen in de Arkadische archipel nog vier
onafhankelijke staatjes.
Albaeum
is een Principaliteit, een prinsdom. Een monarchie dus. Het
is een vrijhaven voor de Arkadische elite, met ruimte voor
kunstenaars en vrijdenkers van allerlei slag. De hoofdstad
Albaeum is vooral bekend door zijn natuurlijke
warmwaterbronnen. Reeds in het antieke Imperium Laudanum
kreeg het een zelfstandige status als rustplek voor
gepensioneerde Laudaanse notabelen. Er staat ook een
gigantisch fort, dat getuigt van een belangrijke militaire
traditie. Een traditie waarin ook de prinsen volop delen. Er
is een belangrijk internationaal militair
opleidingsinstituut, waar heel wat troonopvolgers worden
klaargestoomd voor hun toekomstige rol als opperbevelhebber.
Angur
is gesitueerd rond de magische Baai van Angur, oftwel de
Baai van de Vierentwintig Tempels. Hier worden nog de
antieke Dardaanse goden vereerd. Het land heeft geen leger
en geen vloot. Men heeft een groot respect voor omliggende
landen, en dat is wederzijds. Er is een stilzwijgende
overeenkomst met Iantai en Dardanië dat zij garant staan
voor de onafhankelijkheid van het land en het zullen
verdedigen tegen eventuele invasies.
Angur omvat
een deel van het schiereiland Sylvestre en enkele eilanden
waarvan het grootste Eulesae heet. Op dit eiland is het
vermaarde en drukbeklante Orakel van Altea actief, het meest
invloedrijke orakel van heel Thalassa, dat veelvuldig wordt
geraadpleegd door staatshoofden, militairen en
hoogwaardigheidsbekleders uit alle windstreken. Antwoord op
de vragen wordt traditioneel gegeven door de ‘Zorba’, een
puber die waarschijnlijk wordt bedwelmd door ‘herba eremae’
(afkomstig uit Erghnâristan en daar ook wel khûtab genoemd).
Deze Zorba wordt voor twee jaar aangesteld en gerecruteerd
uit het gymnasium (de sportschool) van Tebe.
Hebe
heeft een wel zeer eigenaardige staatsinrichting. Het is een
bizar fenomeen in de wereld. In een van de zeldzame momenten
van vreedzaam bilateraal overleg besloten Iantai en Norestre
al enige eeuwen geleden om ergens op een van de meest
desolate plekken van de Arkadische eilanden een plek vrij te
maken waar zij in alle rust de meest gestoorde elementen uit
hun samenlevingen konden onderbrengen. Let wel: we hebben
het hier niet over criminelen maar over gestoorden, gekken
en zwakzinnigen. Dit project was mede een experiment van de
Faculteiten Filosofie van de Universiteiten van Impirion en
Noviomagus Babaorum. En nog steeds volgen Ladoonse
wetenschappers het experiment nauwgezet en likkebaardend.
Het bijzondere is dat deze samenleving van gestoorden geheel
aan zichzelf is overgelaten. Helaas maken allerlei
avonturiers en vrijbuiters regelmatig misbruik van de
bewoners, maar door veelvuldige patrouilles trachten de
Iantese en Norestrische marines dit soort externe
bemoeienissen te verhinderen. Wel worden regelmatig nieuwe
ladingen gestoorden aan wal gezet. De bewoners zijn
inmiddels toe aan hun zevenendertigste variant van
staatsinrichting. In het verleden is er een aleacratie
geweest, waarin met dobbelstenen beleid werd bepaald. Er is
lange tijd een pedocratie geweest, waarin de macht werd
overgelaten aan de spontaneïteit van kinderen tot 10 jaar.
Men heeft al dansend politiek bedreven, de
Terpsichorocratie. De macht en de wetgeving is aan dichters
overgelaten, de Eratocratie. Er is een astrocratie geweest,
waarin men de wijsheid in de sterren meende te kunnen lezen.
Momenteel laat men de politieke besluitvorming afhangen van
het weer van de dag (de Meteocratie), met desastreuze
gevolgen, gezien het wisselvallige klimaat van het
Arkadische gebied. De wetenschappers zijn razend enthousiast
over het snelle tempo waarin de Hebaanse samenleving heen en
weer stuitert en zijn uiterst benieuwd naar de afloop van
het experiment.
Axioth,
tenslotte, vlak voor de kust van Marar gelegen in de
Arxinische archipel, heeft een semi-autonome status binnen
het Iantaise gemenebest. Zelf beschouwen de Axiothi zich als
onafhankelijk, maar dat is toch een misverstand. Zo’n 200
jaar geleden heeft de Iantese keizer Tiborkin het eiland
deze status verleend wegens zijn sympathie voor het hem
welgezinde Bartholicisme. Het is het centrum van het
Bartholicisme voor het zuiden van Thalassa. Het heeft geen
leger en geen vloot. Indien nodig wordt hun autonomie
beschermd door het keizerrijk Iantai. Het is overigens een
bizar plat en kaal eiland met één bijzondere berg, die een
speciale gelijkenis vertoont met een traditionele
Bartholieke kerk. Alleen aan de voet van die berg groeit een
weelderige vegetatie. |
|
OVERZEESE GEBIEDSDELEN VAN IANTAI |
|
Buiten dit
gebied heeft het Keizerrijk Iantai enkele koloniën. Dit zijn
overblijfselen van het grote Imperium Laudanum uit het
verleden, die bij het uiteenvallen hiervan tijdens de Grote
Ladoonse Oorlog door Iantai bezet zijn.
De belangrijkste
hiervan is Travestre en Lidia. Dit gebied ligt aan de
kust tussen de Verbondsrepubliek en Marar. Het is een
vruchtbare en vrij dicht bevolkte kolonie, die een veelheid
aan tropische producten voortbrengt. De hoofdstad Travestre
is een belangrijk en snel groeiend handelscentrum.
Ten zuiden
van Angur ligt op enkele eilanden de kolonie Entium en
Roseum. Dit zijn voornamelijk handelssteden, waar onder
andere seijde uit Marar wordt verscheept.
In het verre
oosten liggen nog twee Iantese gebieden hevig onder vuur.
Palaene, dat ongeveer de helft van het grote eiland
Veusbui inneemt, was de vrucht van een verdrag met
Sevosetië. Maar onlangs hebben de Sevosetiërs gemeend dit
verdrag eenzijdig te kunnen opzeggen en hebben zij dit
gebied gewapenderhand bezet. Gezien de grote afstand vanuit
Iantai en de geringe opbrengsten van deze kolonie, lijkt de
tendens in Iantai om het er bij te laten zitten en de
Sevosetiërs geluk te wensen met hun aanwinst. Want veel
bracht dit bergachtige en vrij koude eiland het moederland
niet op. Anderzijds gaan er geruchten over een geheime
overeenkomst met Sevosetië over de toekomst van Palaene als
nog altijd Iantese kolonie.
Voor de kust
van Histáirja ligt nog het kleine eiland Adan, dat
voornamelijk van de handel in de oostelijke Thalassa leeft
en daarnaast een belangrijke vlootbasis is. De laatste tijd
is het eiland ernstig overbevolkt geraakt door vluchtelingen
voor de troebelen in Noord-Histáirja, waar de Ba-aanhangers
het leven onmogelijk werd gemaakt. Ook deze kolonie staat
ernstig onder druk door Hysterische agressie. Histáirja
beweert zelfs het eiland al ingenomen te hebben, maar dit
verhaal moet op Hysterische propaganda berusten.
Tenslotte
heeft het Keizerrijk Iantai nog een vlootbasis in Aïchion
overgehouden uit de Ladoonse interventie in de chaotische en
bloedige burgeroorlog daar: het eiland Lukinios, van waaraf
zij een sterke greep hebben op de vaarroutes in de
zuidelijke archipel van Aïchion. |
|