Officiële naam: Iantai
Oppervlakte: ca. 4,5 miljoen km2
Inwonertal: ca. 45 miljoen
Staatsvorm: keizerrijk

BEVOLKING
Bevolkingsdichtheid:
ca. 10 inw./km2

BESTUUR
Hoofdstad:
Sarthe
Staatshoofd: keizer Jannus I

INLEIDING IANTAI
Het keizerrijk Iantai heeft een oppervlakte van ongeveer 4,5 miljoen km2 en heeft ruim 45 miljoen inwoners. Het land is geografisch en historisch ruwweg te onderscheiden in vier gebieden.

Het traditionele machtscentrum ligt in het koude en dunbevolkte zuiden van het rijk. Het bestaat uit een plateau met diep uitgesneden kloven. De hoogvlaktes in dit gebied zijn kaal en boomloos en de diepe, grillige ravijnen zijn over het algemeen begroeid met naaldwouden en zijn van oudsher gekoloniseerd door de oorspronkelijke Iantai, de zgn. Siriantai, een woest ruitervolk dat genetisch banden heeft met de Yufong, de Mararezen en de nomadenvolken uit de westelijke binnenlanden van het zuidelijk Thalassa.

In de deelstaat Maracai verheft zich de hoogste berg van heel Thalassa, de Mons Titanius, de heilige berg van Iantai, meer dan 12000 meter hoog. Dit is een vrij geïsoleerde berg, waardoor het in principe mogelijk is er omheen te trekken. Dit is wel een barre tocht van ruim 500 km door een weinig gastvrij en tamelijk kaal gebied. Water is er genoeg, maar men moet wel onderweg zichzelf door jacht of visvangst van eten voorzien, of dit meesjouwen. Traditioneel dienen jonge mannen uit de binnenlanden deze tocht te volbrengen om hun mannelijkheid te bewijzen, maar velen overleven hem niet.

Ten noorden van dit ruige gebied liggen de vruchtbare valleien van Dalia, en van Argentia en Atria, de zogenaamde Atriaanse Landen. Deze streken vormen het relatief dichtbevolkte hart van continentaal Iantai. Midden in deze centrale valleien snijdt de grote rivier de Ia Fai, die gevoed wordt door een groot deel van de Iantese rivieren, dit gebied in tweeën. Op de plek waar de Ia Fai stroomopwaarts de voet raakt van de immense plateaus van het historische Iantese hartland, ligt op een strategisch gelegen hoogte de rijkshoofdstad Sarthe. De stad werd gesticht door de Siriantai, als bolwerk om de Dalische en Atriaanse landen te overheersen en controle uit te oefenen op de belangrijkste handelswegen over en langs de grote Iantese rivieren, die rond de stad samenclusteren. Volgt men de Ia Fai stroomafwaarts, dan komt men op het punt waar de grillige baaien van de Thalassaanse binnenzee het diepst en het verst zuidelijk in het Ladoonse subcontinent penetreren. Aan de monding van de Ia Fai en de iets noordelijker gelegen mondingen van de grote Dalische rivieren in de Mare Auratum, de zgn. ‘Gouden Zee’, liggen grote steden, zoals de grote handelsmetropool Impirion, in het dichtbevolkte gebied dat het hartland vormde van de Ladoonse cultuur en het huidige Iantai. In tegenstelling tot de Centraal-Iantese hooglanden, waar alleen in de dalen wat terrassenlandbouw mogelijk is, en extensieve veelteelt op de hoogten, kenmerken de Dalische en Atriaanse landen zich door uitgebreide landbouwgebieden, waar een keur aan gewassen wordt verbouwd, met name allerlei granen.

De noordelijke gebieden van Iantai, rondom de Arkadische binnenzeeën, vormen tezamen met de vrije Arkadische staten, ondanks de soms felle politieke tegenstellingen, een geologische, klimatologische en culturele eenheid. Over het algemeen zijn de landschappen en kusten grillig, ruig en rotsachtig. De landbouw richt zich vooral op subtropische producten, zoals olijven en zuidvruchten, en er wordt vee gehouden. Centraal in het Vesperische bekken aan de oostkant van het gebied ligt Milanopolis, de grootste Arkadische metropool, die sinds kort een autonome status heeft, als een vreemde eend in de bijt. De stad fungeert als een soort bedevaartoord, met name voor Milantezen, en tegelijk als Arkadisch handelscentrum en als dè glamourstad voor de Iantezen, en dus ook als centrum voor alles wat het daglicht niet goed kan verdragen.

Net als Impirion groeit Milanopolis snel uit tot een enorme moderne Thalassaanse metropool. Een heel apart gebied, dat Iantai op een bizarre manier deelt met het Imperium, Milantica Sutoria en zelfs Marar, is het metaalrijke Ferria. Dit gebied, dat te koud is voor landbouw, leeft vooral van de mijnbouw, en in toenemende mate metaalindustrie.

DE ARKADISCHE ARCHIPEL
De Arkadische archipel bestaat uit een binnenring en een buitenring van eilanden. De binnenring bestaat uit het magische eilandenrijk van Cartán en het ondoordringbare rijk van Norestre, die worden geflankeerd door de Saturische en Vesperische eilanden. Hieronder zijn de grootste eilanden van de archipel, die uitzonderlijk ruig en ontoegankelijk zijn. Zowel Cartán als Norestre hebben hun onafhankelijkheid aan hun grillige geografie te danken.

De buitenste ring grenst aan de Thalassa en wekt de indruk door een reusachtige zaaier als het ware in zee te zijn gestrooid. Vele kleine en grotere eilandjes wisselen elkaar af in een wonderlijke speling van water en land. De eilandenboog strekt zich uit van het zuidoosten, de Pelvische archipel in het IL, via het Laudaanse schiereiland Nemoria naar het noordwesten, waar het via de Agrillische archipel (die politiek verdeeld is tussen Iantai, Norestre en Hebe) overgaat in de Arxinische archipel voor de kust van Marar. Deze Arxinische archipel is een lappendeken van meest wat kleinere eilanden, die zich van de Zee van Cartán uitstrekt tot het schiereiland van Travestre. Ook staatkundig is het een lappendeken, gekenmerkt door een aantal onafhankelijke eilandstaatjes, een paar eilandjes die bij de Azulische kolonie Vespasia horen en gebiedsdelen van Iantai en Marar.

Klimatologisch vormt vooral het noordelijk deel van de Arxinische archipel enigszins een buitenbeentje. Zo staat het Iantese gebiedsdeel Travestre en Lidia, dat in feite nog een voortzetting vormt van de Arxinische archipel en een laatste bolwerk van het Ladoonse cultuurgebied en het staatje Angur bekend om hun tropische producten en hun milde klimaat.

GESCHIEDENIS
Tot ruim tweehonderd jaar geleden was Iantai een onverbrekelijk onderdeel van het Imperium Laudanum. De geschiedenis van dit Imperium is al eerder aan de orde geweest (in T.H.A.L.A.S.S.A. 1, p. 26). Iantai is, evenals Milantica, als zelfstandige staat ontstaan in de Grote Ladoonse Oorlog, waarin het Imperium Laudanum definitief uiteen is gevallen.

Het begint rond 400 aBc. Rond die tijd verenigt het Siriantaiaanse stamhoofd Tiborkin alle stammen in het Centrale Hoogland van Iantai onder zijn gezag. In 424 vallen de Siriantaianen onder Tiborkin de kustprovincies van Iantai en delen van Milantica binnen. De Imperiale hoofdstad Atrocita wordt geplunderd en met de grond gelijk gemaakt. Tiborkin vestigt zich als de Keizer van Iantai in de oude Dardaanse vesting Impirion. Omdat hij een doorgewinterde landrot is, laat hij in eerste instantie de eilanden met rust, evenals de kustgebieden van Laudania en Milantica. Imperator Mundi Mesopus V ‘Mustela’ (de Wezel) van het Imperium Laudanum koopt Tiborkin af, behoudt de gebieden rond de Sinus Rivarenae en trekt zich terug in de antieke hoofdstad Claustrum, op dat moment weinig meer dan een ruïneveld. De rest van de Laudoonse landen wordt geplunderd en gebrandschat.

Inmiddels hebben de Iantaianen toch een grote vloot opgebouwd en in 427 komt het tot een bloedige confrontatie met de Imperiale vloot, die echter min of meer onbeslist eindigt. Beide admiraals oordelen het onverstandig het tot verdere botsingen te laten komen. De Laudaanse vloot moet zich op de verdediging van het hartland van het Imperium concentreren en de Iantaise
vloot gaat op avontuur uit. In de periode van 427 tot 448 verovert zij een deel van de overgebleven Laudaanse koloniën elders in Thalassa. Van het machtsvacuüm dat zo in de Argentische archipel ontstaat, maken Cartán, Norestre en andere eilandvolken gebruik door de Laudaanse bezetters in het nauw te drijven.

Intussen komt in Hertha een nieuwe volksheld op: Milan. In 448 verdrijft deze de Iantaianen uit het binnenland van Milantica en rukt door Laudania op naar het westen. Imperator Ianus VII ‘Perditor’ (de Loser) verzet zich, maar ziet het Imperium gereduceerd tot de directe omgeving van de antieke hoofdstad Claustrum.

In 450 komt het tot de grote confrontatie tussen Tiborkin en Milan, de Slag bij Campus Merulae, die onbeslist eindigt. Tiborkin sneuvelt. Zijn zoon Haraldin volgt hem op. Hij verplaatst zijn residentie naar Sarthe. Milan bezet het grootste deel van Laudania en het noordoosten van Iantai tot de Ia Fai. Ze komen voorlopig een wapenstilstand overeen.

In 478 trouwt Keizer Haraldin met Miliana, de oudste dochter van voormalig aartsvijand Milan. Het jaar daarop sterft Milan plotseling. Omdat hij alleen maar zeven dochters heeft, ontbrandt er een opvolgingsstrijd tussen zijn schoonzonen (de ‘Zwageroorlog’). De belangrijkste tegenstanders zijn Haraldin, de Milantische prins Menandes uit de oude vorstelijke familie Juliano, Marco, die de steun van het Herthaanse volk heeft, en de door de oude Laudaanse elite en een groot deel van het Imperiale leger gesteunde Laudaanse patriciër Hebes (bijgenaamd ‘Hebes Miserus’, de Treurige). Hebes heeft zich in Milanopolis gevestigd en wordt in 484 tot Imperator Mundi gekozen.

In eerste instantie gaat de strijd tussen enerzijds Marco en Hebes, gesteund door het volk, en anderzijds de andere zwagers onder leiding van Menandes, die de oude Milantese adel vertegenwoordigen. In 486 valt Haraldin Laudania en Milantica binnen en vlucht Hebes naar Claustrum, waar hij kort daarna wordt vermoord. Haraldin bezet het grootste deel van Laudania. Hij belegert Claustrum, waar inmiddels weer een nieuwe Imperator is benoemd met de steun van het leger, Quintus XIII ‘Fervidus’ (de Heethoofd). Menandes verschanst zich in het binnenland van Milantica, waar hij een eigen leger opbouwt.

In 489 trekt Haraldin Antoniola binnen, maar hij wordt in de Slag bij Silvandes vernietigend verslagen door Menandes. Hij vlucht naar Milanopolis, achtervolgd door Menandes’ leger. Zijn troepen voor Claustrum breken het beleg op en voegen zich bij hem. Bij Nidus Ulmi in Ferrania lokt hij Menandes in een hinderlaag, waarop Menandes weer moet vluchten. Beider legers zijn behoorlijk gedecimeerd en de Laudaanse Imperator Quintus maakt hier gebruik van door de hele kustvlakte van Atrocita tot Julania en de benedenloop van de Cloaca te bezetten. De legers voeren nog een tijd bittere gevechten om het plateau van Ferrania, waar kort tevoren rijke ijzerertslagen waren ontdekt.

In 491 sluiten Iantai, Milantica en het Imperium Laudanum het Verdrag van Claustrum. Het Imperium Laudanum behoudt ongeveer het door Quintus bezette gebied. Ferrania wordt op een uiterst ingewikkelde wijze tussen de drie landen opgedeeld. Cartán en het eilandenrijk Norestre worden definitief onafhankelijk.

STAATKUNDIGE SYSTEMEN
De politieke systemen van zowel Iantai, Cartán als Norestre zijn ‘meritocratische’ dictaturen. Filosofen twisten over de oorsprong van de politieke systemen van de drie naties, maar zijn het erover eens dat de geografische grilligheid van hun grondgebied en hun onderlinge culturele verwevenheid aan de basis staan van dit ‘Arkadische model’. Aan het hoofd van de regeringen staat een monarch, met daaronder een regering. De monarch heeft formeel de absolute macht, maar dit slechts tot op zekere hoogte. In alle drie de staten ligt uiteindelijk de controlerende macht bij kloostergemeenschappen, de ‘Cayanen’ (in Iantai ‘Suri’ genoemd), die veto’s kunnen uitvaardigen en onderzoeken kunnen eisen naar belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Zij hebben de macht om de staatshoofden terug te fluiten en zelfs af te zetten, om oorlogen te doen stoppen en om vitale vraagstukken dwingend op de agenda te zetten. Hoewel de exacte vereisten van de ‘staatskloosterlingen’ per land enigszins verschillen, hebben zij in alle drie de staten gemeen dat zij geen eigendom mogen bezitten, niets mogen nalaten en dat zij op merites zijn uitgekozen. Het is duidelijk dat niet iedereen willig is om deze cruciale functie in een Arkadische samenleving te vervullen, al is het wel een grote eer om door een Caye, c.q. Sur, uitgenodigd te worden om toe te treden tot het hoogste bestuursorgaan van de staat. Je verbindt je tot armoede en een sober leven, en het is levenslang. Uittreden is niet mogelijk.

Over het algemeen beschouwt men de Cartaanse meritocratie als de puurste. Het Cayaat wordt ook wel de ‘Broederschap van de Vier Windstreken’ genoemd en blijkt zo goed als ongevoelig voor de verleidingen van corruptie en machtsmisbruik. Er is wel een Volksvergadering, die door de bevolking wordt gekozen, maar deze kan overruled worden door de vorst, en de vorst weer door het Cayaat. Het Cartaanse staatsbestel is wel een stuk ingewikkelder dan hier lijkt, mede door de invloeden van de verschillende zo goed als autonome cantons en door een veelheid aan kloosterordes en militaire kastes (‘Abruns’) die allemaal hun invloed op het bestel uitoefenen.

In Norestre heerst formeel nagenoeg hetzelfde systeem, met dien verstande dat niet een erfelijke vorst regeert, maar een gekozen staatshoofd, de ‘Capo’, traditioneel een marineman. In geval van nood, bij voorbeeld in de oorlogen tegen Iantai, heeft het politieke systeem bewezen goed te kunnen functioneren, maar in vredestijd heerst corruptie en nepotisme, en is er nauwelijks nog sprake van een meritocratie in de eigenlijke betekenis van dit woord. Traditioneel is vooral de vloot uitermate goed georganiseerd. De Capo is duidelijk de opperbevelhebber en in oorlogstijd is er geen tegenspraak. Norestre is, in tegenstelling tot Cartán, een clanmaatschappij, waarin de loyaliteit aan de eigen clan voorop staat. Een bizar fenomeen in Norestre , en een belangrijk ingrediënt voor hun bijzondere nautische positie in Thalassa, is dat iedere clan mariniers levert aan de vloot, die een zware opleiding krijgen op een van de vier marinecomplexen en hun loyaliteit aan hun clan inwisselen voor de eed van trouw aan de Marine. Dit is een zeer oude traditie die diep verweven is met de identiteit van de Norestriërs. Buiten deze Marine, die de ruggengraat vormt van de Norestrische staat, opereren nog tal van andere nautische elementen (vissers, handelaren, vrijbuiters, piraten) in dit verder onherbergzame en relatief weinig vruchtbare eilandenrijk.

De Cayes werken in oorlogstijd nauw samen met de Capo en voorzien hem van waardevolle adviezen. Ook in deze Cayes is vooral maritieme kennis opgetast. Het belangrijkste Cayaat van Norestre ligt, heel symbolisch, midden in de immense marinehaven van de hoofdstad Norestre. In vredestijd hebben die Cayaten weinig om handen. De gang van zaken in het binnenland wordt vooral door de clans bepaald.

Norestre schijnt, ten onrechte, naam en faam te hebben als schurkenstaat. Het is in elk geval een ruige samenleving, die voor zijn onafhankelijkheid en levensonderhoud grotendeels op de zee is aangewezen, en zich daarom altijd op zijn eigen rauwe manier op zee heeft moeten manifesteren.

De Iantaise meritocratie onderscheidt zich door een duidelijk etnisch accent. Verspreid door heel Iantai liggen de kloosters, de ‘Suri’. Deze kloosters zijn echter niet evenredig over het land verdeeld. In het zuiden, het etnisch zuivere Siriantai-gebied, liggen veel meer Suri dan in de rest van het land. Het traditionele hoofdklooster ligt in het onherbergzame Sur Bayai in de deelstaat Bayore. Per Sur wordt een vertegenwoordiger gekozen om zitting te nemen in het ‘Centraal Suriaat’ in dit klooster in Sur Bayai. Het Centraal Suriaat benoemt het prestigieuze Suriaat van Sarthe, dat dicht bij de regering zit en de Keizer adviseert. De Keizers vormen een Siriantese dynastie, maar elke opvolging moet worden goedgekeurd door het Suriaat van Bayore en de oude Siriantese clans. Dit betekent dat het overheidsapparaat vooral Siriantees gekleurd is. Ditzelfde geldt voor de top van het leger. De bevelhebbers worden door de Keizer benoemd.

De Daliërs hebben een aparte plaats in de machtsconstellatie van het Keizerrijk. Zij zijn een mengvolk dat Siriantese en Ladoonse invloeden in zich verenigt. De Daliërs vormen een van de grootste bevolkingsgroepen van Iantai en zij zorgen voor het leeuwendeel van de inkomsten van het rijk. De toplaag van de Daliërs heeft traditioneel posities in het middenkader van de Iantese regering en in het leger. De gewone Daliërs zijn vooral boeren en dienen in het leger veelal als kanonnenvoer.

ARKADISCHE STAATJES
Naast Cartán en Norestre liggen in de Arkadische archipel nog vier onafhankelijke staatjes.

Albaeum is een Principaliteit, een prinsdom. Een monarchie dus. Het is een vrijhaven voor de Arkadische elite, met ruimte voor kunstenaars en vrijdenkers van allerlei slag. De hoofdstad Albaeum is vooral bekend door zijn natuurlijke warmwaterbronnen. Reeds in het antieke Imperium Laudanum kreeg het een zelfstandige status als rustplek voor gepensioneerde Laudaanse notabelen. Er staat ook een gigantisch fort, dat getuigt van een belangrijke militaire traditie. Een traditie waarin ook de prinsen volop delen. Er is een belangrijk internationaal militair opleidingsinstituut, waar heel wat troonopvolgers worden klaargestoomd voor hun toekomstige rol als opperbevelhebber.

Angur is gesitueerd rond de magische Baai van Angur, oftwel de Baai van de Vierentwintig Tempels. Hier worden nog de antieke Dardaanse goden vereerd. Het land heeft geen leger en geen vloot. Men heeft een groot respect voor omliggende landen, en dat is wederzijds. Er is een stilzwijgende overeenkomst met Iantai en Dardanië dat zij garant staan voor de onafhankelijkheid van het land en het zullen verdedigen tegen eventuele invasies.

Angur omvat een deel van het schiereiland Sylvestre en enkele eilanden waarvan het grootste Eulesae heet. Op dit eiland is het vermaarde en drukbeklante Orakel van Altea actief, het meest invloedrijke orakel van heel Thalassa, dat veelvuldig wordt geraadpleegd door staatshoofden, militairen en hoogwaardigheidsbekleders uit alle windstreken. Antwoord op de vragen wordt traditioneel gegeven door de ‘Zorba’, een puber die waarschijnlijk wordt bedwelmd door ‘herba eremae’ (afkomstig uit Erghnâristan en daar ook wel khûtab genoemd). Deze Zorba wordt voor twee jaar aangesteld en gerecruteerd uit het gymnasium (de sportschool) van Tebe.

Hebe heeft een wel zeer eigenaardige staatsinrichting. Het is een bizar fenomeen in de wereld. In een van de zeldzame momenten van vreedzaam bilateraal overleg besloten Iantai en Norestre al enige eeuwen geleden om ergens op een van de meest desolate plekken van de Arkadische eilanden een plek vrij te maken waar zij in alle rust de meest gestoorde elementen uit hun samenlevingen konden onderbrengen. Let wel: we hebben het hier niet over criminelen maar over gestoorden, gekken en zwakzinnigen. Dit project was mede een experiment van de Faculteiten Filosofie van de Universiteiten van Impirion en Noviomagus Babaorum. En nog steeds volgen Ladoonse wetenschappers het experiment nauwgezet en likkebaardend. Het bijzondere is dat deze samenleving van gestoorden geheel aan zichzelf is overgelaten. Helaas maken allerlei avonturiers en vrijbuiters regelmatig misbruik van de bewoners, maar door veelvuldige patrouilles trachten de Iantese en Norestrische marines dit soort externe bemoeienissen te verhinderen. Wel worden regelmatig nieuwe ladingen gestoorden aan wal gezet. De bewoners zijn inmiddels toe aan hun zevenendertigste variant van staatsinrichting. In het verleden is er een aleacratie geweest, waarin met dobbelstenen beleid werd bepaald. Er is lange tijd een pedocratie geweest, waarin de macht werd overgelaten aan de spontaneïteit van kinderen tot 10 jaar. Men heeft al dansend politiek bedreven, de Terpsichorocratie. De macht en de wetgeving is aan dichters overgelaten, de Eratocratie. Er is een astrocratie geweest, waarin men de wijsheid in de sterren meende te kunnen lezen. Momenteel laat men de politieke besluitvorming afhangen van het weer van de dag (de Meteocratie), met desastreuze gevolgen, gezien het wisselvallige klimaat van het Arkadische gebied. De wetenschappers zijn razend enthousiast over het snelle tempo waarin de Hebaanse samenleving heen en weer stuitert en zijn uiterst benieuwd naar de afloop van het experiment.

Axioth, tenslotte, vlak voor de kust van Marar gelegen in de Arxinische archipel, heeft een semi-autonome status binnen het Iantaise gemenebest. Zelf beschouwen de Axiothi zich als onafhankelijk, maar dat is toch een misverstand. Zo’n 200 jaar geleden heeft de Iantese keizer Tiborkin het eiland deze status verleend wegens zijn sympathie voor het hem welgezinde Bartholicisme. Het is het centrum van het Bartholicisme voor het zuiden van Thalassa. Het heeft geen leger en geen vloot. Indien nodig wordt hun autonomie beschermd door het keizerrijk Iantai. Het is overigens een bizar plat en kaal eiland met één bijzondere berg, die een speciale gelijkenis vertoont met een traditionele Bartholieke kerk. Alleen aan de voet van die berg groeit een weelderige vegetatie.

OVERZEESE GEBIEDSDELEN VAN IANTAI
Buiten dit gebied heeft het Keizerrijk Iantai enkele koloniën. Dit zijn overblijfselen van het grote Imperium Laudanum uit het verleden, die bij het uiteenvallen hiervan tijdens de Grote Ladoonse Oorlog door Iantai bezet zijn.

De belangrijkste hiervan is Travestre en Lidia. Dit gebied ligt aan de kust tussen de Verbondsrepubliek en Marar. Het is een vruchtbare en vrij dicht bevolkte kolonie, die een veelheid aan tropische producten voortbrengt. De hoofdstad Travestre is een belangrijk en snel groeiend handelscentrum.

Ten zuiden van Angur ligt op enkele eilanden de kolonie Entium en Roseum. Dit zijn voornamelijk handelssteden, waar onder andere seijde uit Marar wordt verscheept.

In het verre oosten liggen nog twee Iantese gebieden hevig onder vuur. Palaene, dat ongeveer de helft van het grote eiland Veusbui inneemt, was de vrucht van een verdrag met Sevosetië. Maar onlangs hebben de Sevosetiërs gemeend dit verdrag eenzijdig te kunnen opzeggen en hebben zij dit gebied gewapenderhand bezet. Gezien de grote afstand vanuit Iantai en de geringe opbrengsten van deze kolonie, lijkt de tendens in Iantai om het er bij te laten zitten en de Sevosetiërs geluk te wensen met hun aanwinst. Want veel bracht dit bergachtige en vrij koude eiland het moederland niet op. Anderzijds gaan er geruchten over een geheime overeenkomst met Sevosetië over de toekomst van Palaene als nog altijd Iantese kolonie.

Voor de kust van Histáirja ligt nog het kleine eiland Adan, dat voornamelijk van de handel in de oostelijke Thalassa leeft en daarnaast een belangrijke vlootbasis is. De laatste tijd is het eiland ernstig overbevolkt geraakt door vluchtelingen voor de troebelen in Noord-Histáirja, waar de Ba-aanhangers het leven onmogelijk werd gemaakt. Ook deze kolonie staat ernstig onder druk door Hysterische agressie. Histáirja beweert zelfs het eiland al ingenomen te hebben, maar dit verhaal moet op Hysterische propaganda berusten.

Tenslotte heeft het Keizerrijk Iantai nog een vlootbasis in Aïchion overgehouden uit de Ladoonse interventie in de chaotische en bloedige burgeroorlog daar: het eiland Lukinios, van waaraf zij een sterke greep hebben op de vaarroutes in de zuidelijke archipel van Aïchion.