MODEL 1: DE EQUATORIALE ZEE
(kaarten 1
t/m 4)
Toelichting
bij kaarten 1 t/m 3:
Groen is hoge druk, geel-bruinig is lage druk. Donkerdere
kleuren zijn extremere hoge / lage druk. Blauwe pijlen zijn
dominante windrichtingen. Rode lijnen zijn fronten.
Licht-geel-bruinige sterren zijn lagedrukgebieden die ontstaan
in / door storingsfronten. Rode pijlen daarin geven de
bewegingsrichting van die storingsdepressies aan.
Omdat het
landschap niet gelijkmatig is, zal er niet één langgerekt
lagedrukgebied langs de zuidkust zijn (zoals in kaart 1), maar
een serie van losse lagedrukgebieden. Dat heeft belangrijke
gevolgen. Kaart 2 geeft een beeld van de storingen (neerslag en
nieuwe lagedrukgebieden) die ontstaan daar waar koude, droge
lucht en warme, vochtige lucht elkaar treffen. De losse
lagedrukgebieden langs de zuidkusten laten hier en daar warme
luchtstromen door naar het binnenland die daar zulke storingen
veroorzaken. Daarnaast ontstaan er storingen ten noordwesten van
de zee.
Kaart 3 laat de
situatie in een korte periode in het midden van de lente en
herfst zien.
Toelichting
bij kaart 4:
De dikke, rode lijn is de grens van het bewoonbare gedeelte.
P = poolwoestijn:
wordt niet (veel) warmer dan min 10 in de zomer en is gemiddeld
min 40 in de winter. Althans, dat zijn de gegevens in het gebied
vlak langs de rode lijn. Aan de polen bijvoorbeeld ligt de
gemiddelde temperatuur dicht in de buurt van de min 120 graden.
In de gehele poolwoestijn is het extreem droog. Neerslag
bedraagt niet meer dan enkele millimeters per eeuw(!).
T = toendra en
taiga (van noord naar zuid). 's Winters gemiddeld tussen de min
40 en de min 12 graden; 's zomers gemiddeld tussen de 0 en 5
graden. Weinig neerslag: hoe dichter bij de poolwoestijn, hoe
minder. Bestaansgrond: extensieve veeteelt.
C1 = koel
continentaal klimaat (vgl. westelijk Rusland). 's Winters
gemiddeld tussen de min 12 en min 5 graden; 's zomers gemiddeld
tussen de 9 en 12 graden. Het hele jaar betrekkelijk weinig
neerslag. Bestaansgrond: extensieve veeteelt, bosbouw & jacht,
een beetje extensieve akkerbouw.
C2 = continentaal
klimaat. 's Winters gemiddeld tussen de min 5 en min 0 graden;
's zomers gemiddeld tussen de 12 en 17 graden. Droge winters,
maar zeer wisselvallige zomers, herfsten en lentes (met stormen,
hevige neerslag en droogteperiodes). Bestaansgrond: intensieve
veeteelt en akkerbouw, tuinbouw etc.
G1 = gematigd
klimaat. 's Winters gemiddeld tussen de 0 en 6 graden; 's zomers
gemiddeld tussen de 17 en 20 graden. Droge winters, maar zeer
wisselvallige zomers, herfsten en lentes (met stormen, hevige
neerslag en droogteperiodes). Bestaansgrond: intensieve veeteelt
en akkerbouw, tuinbouw enz.
G2 = gematigd
klimaat. 's Winters gemiddeld tussen de min 3 en 8 graden; 's
zomers gemiddeld tussen de 15 en 18 graden. Het hele jaar
neerslag, maar zeer wisselvallig (stormen, hevige neerslag en
droogteperiodes). Bestaansgrond: intensieve veeteelt en
akkerbouw, tuinbouw enz.
M1 = matig warm
klimaat. 's Winters gemiddeld tussen de 6 en 16 graden; 's
zomers gemiddeld rond de 20 graden. Droge winters, maar zeer
wisselvallige zomers, herfsten en lentes (met stormen, hevige
neerslag en droogteperiodes). Bestaansgrond: intensieve veeteelt
en akkerbouw, tuinbouw enz.
M2 = gematigd
klimaat. 's Winters gemiddeld tussen de 6 en 16 graden; 's
zomers gemiddeld rond de 20 graden. Het hele jaar neerslag, maar
zeer wisselvallig (stormen, hevige neerslag en droogteperiodes).
Bestaansgrond: intensieve veeteelt en akkerbouw, tuinbouw enz.
S = steppe.
Temperaturen vergelijkbaar met naastliggende zones, maar
extremer (gemiddeld 30 graden aan de evenaar). Weinig neerslag.
Overgangsfase tussen 'leefbare' en 'onleefbare' klimaten.
W = woestijn.
Gemiddelde temperatuur 35 graden. Neerslag bedraagt niet meer
dan enkele millimeters per eeuw(!).
D = droge zone.
Zone met gematigde temperaturen, maar vrijwel geen neerslag.
Neerslag bedraagt niet meer dan enkele millimeters per eeuw(!).
Vanzelfsprekend
is alles nog wel uitgaand van een reliefloze kaart, maar de
effecten van relief zijn behoorlijk te voorspellen.
Oost-westelijke bergruggen leiden veelal tot uitbreiding van het
koude, droge gebied in de richting van de zee en meer neerslag
tussen de bergrug en de zee (en moeten dus zoveel mogelijk
vermeden worden). Noord-zuidelijke bergruggen hebben minder
extreme effecten.
MODEL 2: DE VERTICALE ZEE
(kaarten 5 en
6)
Op basis van de
toelichting bij de kaarten 1 t/m 4 moeten deze kaarten voor zich
spreken.
|