| KLIMAATKAARTEN | EIGEN KAARTEN | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Planetaire gegevens
Klimaat
HET KLIMAAT VAN THALASSA Om Thalassa geïsoleerd te houden en invloeden van elders uit te sluiten, hebben we indertijd besloten dat al het land buiten het gebied totaal onleefbaar en onbereisbaar moest zijn. Dat wil zeggen ijskoud in het noorden en zuiden en gortdroog in oost en west. Op basis van deze afspraak heb ik het klimaat van Thalassa in kaart gebracht. Hierbij heb ik er naar gestreefd iedere deelnemer in ieder geval in een deel van zijn/haar geo aan een bruikbaar klimaat te helpen. Tevens heb ik geprobeerd mij zo veel mogelijk aan de wetten van het aardse klimaat te houden. Het eerste dat nu bepaald moest worden was de declinatie van de Ys-as ten opzichte van de ecliptica (het vlak van de Ys-baan om de zon), die de seizoenen bepaalt. Ik wilde die declinatiehoek zo groot mogelijk hebben, omdat dan de tropische convergentiezone, die tot levenbrengende regens leidt, zo ver mogelijk naar het noorden en zuiden komt. Uitgangspunt was dat de gemiddelde temperatuur in de tropen, waar de zon 's middags in het zenith staat, rond de 20°C zou moeten zijn en in de warmste maand 0°C op 40° Noorder-/Zuiderbreedte. Daarvoor heb ik het temperatuur-verloop op aarde bekeken op de plaatsen waar de invloed van de zee het kleinst is: de Sahara en Siberië (zie tabel 1).
De daaruit resulterende curve heb ik proberen in te passen in die twee punten; 20°C op de keerkring en 0°C op 40° NB/ZB. Daaruit bleek dat een declinatie van ongeveer 23° zoals op aarde, onmogelijk was. Het hoogst haalbare bleek 15° te zijn (zie tabel 2). Op grond hiervan heb ik in kaart gebracht wat theoretisch (geheel afgezien van invloeden van zee en reliëf) de temperaturen van Thalassa zijn (zie kaart 1-3).
Het tweede punt was de algemene circulatie. De kou op hogere breedtes en de relatieve warmte rond de evenaar leiden tot min of meer permanente passaatwinden naar de tropen (een noordoostpassaat op het noordelijk halfrond en een zuidoostpassaat in het zuiden), die koud en kurkdroog zijn en dus de leefbaarheid niet bepaald gunstig gezind zijn. Alleen waar deze winden van zee komen, zal neerslag voorkomen. Het beeld wordt wel beter door de declinatie, maar het blijft droevig. We zijn er daarom van uit gegaan dat de confrontatie van de passaten met de relatief warme zee aanleiding zal geven tot storingen, die het heersende windpatroon doorbreken en vochtige lucht landinwaarts voeren. Dat brengt me op de derde factor die van belang is: de zeewatertemperatuur. De vorm van de binnenzee is zodanig ontworpen dat door de overheersende winden het water van oost naar west zal gaan stromen. Dit wordt gecompenseerd door een tegenstroom onder de oppervlakte. Deze (koude) onderstroom welt op in het oosten, het water stroomt westwaarts en wordt opgewarmd door de zon, koelt in het noordwesten weer af en verdwijnt daar onder het poolijs, waar het daalt en de cyclus opnieuw begint. Dit betekent dat in het opwellingsgebied de zee behoorlijk koud is (rond 5°C) en dat de temperatuur oploopt tot boven 15° naarmate de zon het water langer en intensiever heeft kunnen verwarmen. Ook de relatief geïsoleerde ondiepe binnenzeeën in het noordoosten worden in de zomer behoorlijk warm (kaarten 4-7). Dit alles werkt met een flinke vertraging. De zon warmt de zaak langzaam op en als hij weer weg is, blijft het water nog maanden warm.
Dit zijn de grondslagen van het systeem. Het eerste resultaat zijn de luchtdruksystemen en de daaruit resulterende overheersende winden. Hierin spelen ook de hooggebergtes een rol. Die kunnen een effectieve barrière vormen voor weer en wind. Zo vormt het enorme gebergte in het zuiden een blokkade voor de zuidoostpassaat en is er in Iantai in het zuidwesten ruimte voor locale winden die neerslag kunnen brengen tot behoorlijk diep in het binnenland. Anderszijds leiden openingen in die muur tot heftige en ijskoude, mistral-achtige winden, die ook in de zomer dikke winterjassen nodig maken. Het hoofdsysteem is steeds hoge druk in het koude noorden en zuiden. Ook boven de koude zee in het opwellingsgebied zal de druk relatief hoog zijn. Lagedrukgebieden liggen rond de tropische convergentiezone, die ongeveer daar ligt waar de zon het hoogst staat en het krachtigst straalt, en boven gebieden waar de koude passaat op een warme zee stuit (zie kaarten 8-11).
Zoals bekend waait de wind van hoge druk naar lage druk, met een afwijking naar rechts (op het noordelijk halfrond) of links (op het zuidelijk halfrond). Dit leidt tot winden zoals op de kaartjes aangegeven. Dit zijn de overheersende windrichtingen. Maar dit wil niet zeggen dat ze altijd zo waaien. In Noordwest-Europa is de overheersende wind zuidwest, maar iedereen weet dat ze vaak genoeg uit andere richtingen komt. In passaatgebieden (zoals op de Antillen) is de wind wel heel stabiel. Ik denk dat de wisselvalligste winden voorkomen waar het passaatsysteem om wat voor reden dan ook (bergen, een warme of juist koude zee) wordt doorbroken. De winden
zorgen voor het transport van twee zaken die essentieel zijn voor de
leefbaarheid van gebieden: warmte en vocht. De gemiddelde temperaturen
worden bepaald door een aantal factoren:
De werkelijke temperaturen zijn dus erg afhankelijk van het reliëf. Dus de volgende stap was het bepalen van die werkelijke temperaturen. Dat was nogal een puzzel, omdat ik in wezen voor elk punt van Thalassa de temperatuur op zeeniveau en de hoogte moest bepalen. Ik heb dit voor de zomer en de winter gedaan, en gedeeltelijk voor de tijd waarop de zon ongeveer boven de evenaar staat (als de temperatuur het hoogst is) (kaarten 16-18). Voor sommige geo's valt het resultaat nogal tegen. Bergen zijn prachtig, maar ze reduceren het leefbare gebied soms nogal.
Voor de
leefbaarheid van een land is neerslag van levensbelang (al heb je nog zo
de pest aan regen). Zonder water geen landbouw en geen eten! Neerslag
krijg je in grote lijnen daar waar de lucht vocht bevat en vervolgens
afkoelt. Lucht koelt in het algemeen af waar ze gedwongen wordt op te
stijgen. Dit gebeurt in de eerste plaats in de tropische
convergentiezone, doordat ze door de zon wordt opgewarmd. Daarnaast komt
het tot neerslag waar de wind tegen een gebergte opbotst.
Dan hebben we de belangrijkste klimaatgegevens. Die heb ik tenslotte nog samengevat in een klimaatgebiedenkaart volgens de beroemde Baarlse klimatoloog Köppig (zie kaart 30).
De volgende stap is de bepaling waar diverse vormen van grondgebruik mogelijk zijn. Daarvoor heb ik eerst een schatting gemaakt van de vochtbalans: het evenwicht tussen de neerslag en de verdamping. Van de neerslag verdampt een deel direct vanaf de grond. Een ander deel wordt uitgewasemd door vegetatie. De hoeveelheid verdamping hangt vooral af van de temperatuur. Rond het vriespunt (en zeker daaronder) is er weinig verdamping, en boven de 10°C begint het snel op te lopen. En vegetatie draagt nog een steentje bij. Verder is de kracht van de zonneschijn van belang en de luchtvochtigheid. En misschien nog wel meer factoren. Ik heb een vochtbalanskaart gemaakt (kaart 28), waarbij ik de verdamping eigenlijk alleen met de temperatuur in verband heb gebracht. En ik heb het, bij gebrek aan gegevens over de verdamping, ook niet precies uitgerekend, maar op gevoel bepaald. Op de kaart zijn ruwweg drie soorten gebieden te onderscheiden: gebieden met een vochttekort (aride gebieden), met een vochtoverschot en met een groot vochtoverschot. Die laatste zijn vooral gebergtes in vochtige streken, waar behoorlijk wat neerslag valt en, door de lage temperatuur, weinig verdampt. Waar de gemiddelde temperatuur van het warmste seizoen onder 0°C ligt, en er tevens neerslag valt, is sprake van permanent ijs, gletsjers of zelfs een bescheiden ijskap. Dat ijs stroomt, net als water (alleen wat trager), van hoog naar laag, en waar de temperatuur boven 0°C is, smelt het af en is er een rivier. Hoe meer neerslag (daar dus als sneeuw), hoe sneller het ijs afstroomt en hoe groter die rivier.
Landbouw
is in principe alleen mogelijk waar de gemiddelde temperatuur in de
warmste maand boven 15°C ligt en waar een vochtoverschot is. Waar het te
koud of te droog is, is wel extensieve veeteelt mogelijk. De absolute
temperatuurgrens is 5°C in de warmste maand, omdat bij nog lagere
temperaturen geen vegetatie mogelijk is, en dus ook geen hogere
levensvormen. De minimaal vereiste neerslag voor nomadische veehouders
is ongeveer 50 mm. per jaar. Al deze overwegingen resulteren in kaart 29, waarop de bruikbare gebieden worden weergegeven. Dit wil weer niet zeggen dat alle gebieden waar het klimaat geschikt is, ook meteen een goede landbouwopbrengst garanderen. De grond moet er ook geschikt voor zijn, er moet voldoende werkkracht zijn, de stand van de landbouwtechnologie heeft veel invloed op de opbrengst, gebrek aan veiligheid, oorlogsverwoestingen en erosie kunnen hun tol eisen, enzovoorts. Dus het kan best zo zijn dat een bepaalde regio een prima klimaat heeft, maar dat er toch nauwelijks landbouw wordt bedreven, om wat voor reden dan ook.
Tenslotte
is het de opbrengst van landbouw en veeteelt die bepalend is voor het
aantal mensen dat een gebied kan voeden, dus in principe voor de
bevolkingsomvang van dit gebied. Daar zijn wel allerlei variaties op
mogelijk, bv. een mijnbouwstad kan best bestaan buiten landbouwgebieden,
maar dan moet er wel voedsel van elders worden aangevoerd. Dus dan moet
er elders een voedseloverschot zijn, en die mijnbouw moet voldoende
opleveren om dat overschot te kunnen opbrengen. Dat geldt ook voor
landen. Een industriesector maakt een grotere bevolking voor een land
mogelijk, mits er voldoende voedsel (en kleding, en materiaal voor
onderdak, etc. etc.) uit andere landen beschikbaar is, dus als daar een
overschot is. Er zijn geen koloniën elders, zoals Europa die ter
beschikking had! |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||