|
HET VERDRAG VAN JARJANA
Verdrag der Aardse
Geofictieve Liga ter Bescherming van de Fundamentele Rechten en
Vrijheden van de Burgers der Lidstaten
terug
naar
Verdragen
PREAMBULE
Zijne Majesteit de Koning van Karstonia; Zijne Excellentie de
President van de Republiek der São Antonio Eilanden; Hare Majesteit
de Koningin van Seppië;
-In de Overtuiging dat de waarborg van de Mensenrechten van het
hoogste belang is, en versterkt wordt door codificatie;
-Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en
gerechtigheid en vrede op de wereld, welke hiervan het uitvloeisel
zijn;
Zijn het volgende overeengekomen:
Art. 1 Hierbij verklaren de ondertekenende lidstaten te zijn gekomen
tot het opstellen van een Verdrag van de Liga voor de bescherming
van de fundamentele Rechten en Vrijheden van de Burgers der
Lidstaten, en verklaren en verzekeren hierbij dat deze rechten en
vrijheden voor een ieder geldend zijn, die onder hun rechtsmacht
valt.
Eerste Afdeling. VAN DE RECHTEN
Art. 2 Een ieder heeft een natuurlijk recht op Leven. Niemand mag op
enige grond van het Leven worden beroofd, dan na een wettelijk
vonnis van een onafhankelijke rechtbank, gegeven als sanctie op een
misdrijf waarop een lidstaat de doodstraf heeft gesteld.
Art. 3 Het voorgaande wordt niet van toepassing geacht, wanneer
iemand het leven verliest door geweld, absoluut noodzakelijk:
-Voor het bedwingen met wettige middelen van een opstand of oproer
in één der verdragsluitende partijen;
-Voor het verrichten van een wettig bevolen arrestatie, of ter
voorkoming van onttrekking hieraan;
-Voor het doen eindigen van een oorlogstoestand in één der
verdragsluitende lidstaten.
Art. 4 Niemand zal onderworpen worden aan martelingen, folteringen
of andere straffen die een aantasting van de waardigheid van de mens
zijn.
Art. 5 Niemand zal in slavernij of onwaardig dienstverband worden
gehouden.
Art. 6 Het voorgaande wordt niet van toepassing geacht:
-Op de militaire of, zo een lidstaat hierin voorziet, vervangende
dienstplicht;
-Op diensten, gevorderd door een onafhankelijke rechter als sanctie
op een misdrijf waarop een lidstaat deze diensten gesteld heeft;
-Op diensten, gevorderd na een ramp of bij noodtoestand;
-Op de normale burgerplichten.
Art. 7 Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid. Niemand mag
op enige grond van zijn vrijheid worden beroofd.
Art. 8 Het voorgaande wordt niet van toepassing geacht:
-Op de gevangenhouding, welke door een onafhankelijke rechter als
sanctie op een misdrijf is uitgesproken;
-Op de gevangenhouding, welke het gevolg is van arrestatie;
-Op de gevangenhouding van personen, die besmettelijke ziekten
zouden kunnen verspreiden, van krank- en zwakzinnigen, van
landlopers die de openbare orde of de democratische rechtsorde
verstoren of het staatsbestel van één der verdragsluitende partijen
met onwettige middelen trachten te wijzigen.
Art. 9 Een ieder heeft recht op een eerlijk en wettig proces, ten
overstaan van een onafhankelijke rechterlijke macht, binnen een
redelijke termijn, en in een taal die hij beheerst of althans
verstaat.
Art. 10 Niemand wordt schuldig geacht aan enig strafbaar feit, dan
nadat hiervan ten overstaan van een onafhankelijke rechter het
onomstotelijke bewijs wettig en overtuigend geleverd is.
Art. 11 Niemand wordt schuldig geacht aan enig strafbaar feit dat op
het moment van het begaan niet door een lidstaat strafbaar gesteld
was.
Tweede Afdeling. VAN DE VRIJHEDEN
Art. 12 Een ieder heeft recht op vrijheid van woord en gedachte.
Art. 13 Een ieder heeft recht op vrijheid van drukpers.
Art. 14 Een ieder heeft recht op vrijheid van godsdienst en geweten.
Art. 15 Een ieder heeft recht op vrijheid van vereniging en
vergadering.
Art. 16 De uitoefening van deze rechten kan aan geen beperkingen
worden onderworpen dan welke noodzakelijk zijn in een democratische
samenleving ter bescherming van 's lands veiligheid, de openbare
orde, de goede zeden, de gezondheid, de rechten en vrijheden van
anderen, de voorkoming van strafbaar gestelde feiten, om de
verspreiding van vertrouwelijke gegevens te voorkomen en om de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te beschermen en
bewaren.
Art. 17 Het staat een ieder, die van huwbare leeftijd is, vrij om te
trouwen en kinderen te krijgen, volgens de nationale wetten welke de
uitoefening van dit recht beheersen.
Art. 18 De verdragsluitende lidstaten verlenen aan een ieder de
vorengenoemde rechten en vrijheden, ongeacht geslacht, ras,
huidskleur, taal, religie, politieke of levensbeschouwelijke
overtuiging, afkomst, vermogen of welke andere status ook.
Art. 19 Een verdragsluitende lidstaat kan in geval van oorlog of een
andere noodtoestand, welke het bestaan van de staat of het volk
rechtstreeks bedreigt, afwijken van zijn in dit verdrag omschreven
verplichtingen, mits deze niet verder gaan dan de situatie vereist
en dit van tijdelijke aard is.
Art. 20 Het voorgaande wettigt geen inbreuk op de art. 4 en 5.
Derde Afdeling. VAN DE NALEVING
Art. 21 Een ieder, wier rechten en vrijheden, zoals in dit verdrag
omschreven, geschonden zijn heeft recht op nationale rechtsbijstand
en beroep op het Hooggerechtshof der Liga te Jarjana.
Art. 22 Het Hooggerechtshof te Jarjana ziet in hoogste instantie toe
op de naleving van dit verdrag, en spreekt recht volgens de
beginselen van het internationale recht bij geschillen tussen de
lidstaten.
Art. 23 De uitspraken van het Hooggerechtshof der Liga zijn bindend
voor wat het het Verdrag betreft. In alle andere gevallen geldt het
beginsel der Nationale Souvereiniteit.
Art. 24 De leden van het Hooggerechtshof der Liga worden volgens
nationale wettelijke principes en methoden gekozen uit de gewone
Recherlijke Macht der verdragsluitende partijen.
Art. 25 Het Hooggerechtshof telt evenveel leden als het Verdrag
ondertekend hebben. Zij worden voor het leven benoemd.
Art. 26 Het Hooggerechtshof der Liga kiest voor een periode van drie
jaar een voorzitter. Deze zal telkens uit een andere lidstaat
gekozen worden.
Art. 27 Bij het staken der stemmen zal een herstemming worden
doorgevoerd. Staken bij de vierde herstemming de stemmen nog steeds,
dan beslist terstond het lot.
Art. 28 Het Hooggerechtshof is bevoegd kennis te nemen van elke
klacht die hem door een Verdragsluitende Lidstaat of een burger
daarvan wordt voorgelegd, tenzij het zichzelf niet competent acht.
Art. 29 De kosten van het Hof worden gedragen door de Liga.
Vierde Afdeling. VAN DE INWERKINGTREDING EN DE UITTREDING
Art. 30 Het Verdrag treedt in werking, zodra de parlementen van de
Verdragsluitende Lidstaten het op de in de nationale wetgeving
voorgeschreven wijze hebben bekrachtigd.
Art. 31 Een Verdragsluitende Partij treedt niet uit het verdrag dan
na een daartoe strekkend besluit van haar parlement en regering.
Gedaan te Jarjana, de 25ste augustus 1989
Voor het Koninkrijk Karstonia: Christian II
Voor de Republiek der São Antonio Eilanden: F.M.Freitas
Voor het Koninkrijk Seppië: Arna-Lotta
Voor de Republiek Gissel: Klaus Klenke |